De zoete inval, elke trainingsavond en wedstrijddag weer. Toch is dat niet de benaming van het domein van Bertus 'Potje' van Dunschoten op de voetbalaccommodatie van Veensche Boys, de eersteklasser in Nijkerkerveen. Zodra de materiaalman de deur van zijn werkkamer na binnenkomst heeft gesloten, valt de aan de binnenzijde bevestigde naamplaat direct in het oog. 'Ballentent', zo staat er in duidelijke letters op te lezen. Het is een aan Van Dunschoten cadeau gedaan bord. Vrijwel alles wat hem op deze plek omringt, heeft hij óf gekregen óf verzameld. Déze schenker was bepaald niet de eerste de beste trainer van de Boys uit het Veen. Hij kreeg het naambord uit handen van Nijkerker Harry Hamstra, even kleurrijk als Potje, de koosnaam van deze bijzondere clubman. De pronkkamer van Van Dunschoten, nabij de kleedkamers, staat en hangt vol met de meest curieuze hebbedingen. Voetbalprullaria en relikwieën van de beste soort zijn het.
Dat wat de 67-jarige Van Dunschoten vlijtig, plechtig en bovenal liefdevol seizoen na seizoen beheert, is geen doodgewoon materiaalhok van een doodgewone vrijwilliger van een doodgewone dorpsclub. Welnee, dit is een voetbalparadijsje, waar hij, zittend aan zijn bureau, de koning te rijk is. Zijn credo? ,,Als ik iets doe, wil ik het perfect doen."
Uniek deze kamer, uniek de schatbewaarder van deze Ballentent aan de Westerveenstraat. Trainers en nieuwkomers in de selectie kijken hun ogen uit, als zij door Van Dunschoten hoogstpersoonlijk worden ingewijd in wat oorspronkelijk bedoeld was als een simpele opbergruimte voor trainings- en wedstrijdballen. ,,Zoiets hebben ze bij andere clubs nog nooit gezien", zegt hij met armgebaren die een figuurlijke rondleiding voorstellen. ,,Ik ben er trots op."
Bekers, elftalfoto's, vaantjes, portretjes van spelers en trainers, krantenknipsels, keurig bijgewerkte (zelfvervaardigde) wandborden vol standen, uitslagen en doelpuntenmakers. De liefde voor zijn club Veensche Boys straalt in deze ruimte van alle kanten op hem af. En hijzelf straalt dat ook uit.
Iedereen die hier zijn wondere Boys-wereld binnentreedt, voelt de warmte. Geen wonder dat dit ook een plek is om uit te huilen, na een deceptie. ,,Dat gebeurt wel eens", zegt hij, zonder namen te noemen.
Van Dunschoten koestert zijn club. De club koestert hem. En heus niet alleen omdat hij álle ballen, na elke training en wedstrijd, stuk voor stuk in zijn 'tweede huis' zorgzaam afspoelt boven een roestvrijstalen wasbak. Punctueel, vol plichtsbesef.
Alsof het de kroonjuwelen van Veensche Boys zijn. Dat zijn ze óók, bezweert hij. ,,Die dingen kosten tachtig euro per stuk. Ik ben er zuinig op."
Bron: Hans Vos/De Stentor